Bijbelstudie mannenvereniging "Bewaar het pand"

9e.Bijbelstudie N.T. 7 Februari 2012    
Door Ds Westland

Liever schade lijden 2

1 Corinthe 6:12-7:7



Hoofdstuk 6 spreekt over de praktijk van het christen -leven: de heiliging. Paulus heeft gewaarschuwd tegen verschillende zonden. Hij heeft ook gewezen op het wonder van Gods genade: door het bloed van Christus
gereinigd, en door de Heilige Geest vernieuwd. En zo mogen de gelovi­gen in Corinthe leven in de vrijheid van Gods kinderen. Met het oog daarop, komt Paulus nu tot verrassende uitspraken.

Mag alles? (vers 12-14)

Alle dingen zijn mij geoorloofd, zo zegt Pau­lus in vers 12. Betekent dat nu, dat een chris­ten vrij is om te doen en te laten wat hij wil? De Kanttekening van de Statenvertaling merkt hier op: als het gaat om middelmatige dingen, die in Gods Woord niet verboden zijn. Paulus geeft zelf ook direct een grens aan: alle dingen zijn niet „oorbaar". Het Griekse woord kun je ook vertalen als nuttig, heilzaam. Als we b. v. met bepaalde dingen ergernis verwekken in de gemeente, kun je zoiets beter niet doen. In vers 12 valt de her­haling op. Paulus wil niet, dat de christenen in Corinthe een wettisch leven zullen leiden. Ze mogen staan in de vrijheid van Christus, (zie Galaten 5 :1) Maar dan ook werkelijk vrij zijn. Je niet laten beheersen door bepaalde dingen. Om maar enkele voorbeelden te noe­men voor onze tijd: sportbeoefening, musi­ceren, gebruik van alcohol, internet. Laat het niet een macht worden, die jou gaat beheer­sen. Paulus noemt in vers 13 een discutabel punt in die dagen: de spijswetten van de Jo­den, en het eten van vlees, dat aan de hei­dense afgoden was geofferd. Daarin laat de apostel hen vrij. Want God geeft ons voedsel om ons lichaam te onderhouden, maar dat betreft ons tijdelijk bestaan. In het Konink­rijk van God zal het niet meer gaan over eten en drinken. Maar dat betekent niet, dat je nu maar alles met je lichaam kunt doen. Paulus waarschuwt tegen hoererij. Want wij krijgen ons lichaam om de Heere te dienen. De Heere zorgt voor ons lichaam, en wij mogen met ons lichaam God verheerlijken. En dan wijst de apostel naar de Heere Jezus. Hij is in ons lichamelijk bestaan afgedaald. Hij is gestor­ven en begraven. Maar Hij is ook opgewekt. En daarom is er hoop voor ons lichaam (zie l Corinthe 15 : 23).

Tempel van de Heilige Geest! (vers 15-20)

Twee voorbeelden geeft Paulus, wanneer hij hier waarschuwt tegen hoererij. Die waar­schuwing was nodig. Want men nam het in Corinthe niet zo nauw met de zonde van de hoererij. Nu wijst Paulus erop, dat je met je lichaam maar niet kunt doen, wat je wilt. Sexualiteit is geen consumptie -artikel. Eerst wijst hij erop, dat we door het geloof deel hebben aan het Lichaam van Christus. Door de band van de Geest zijn we aan Hem verbonden (vs. 17). Maar wat gebeurt er bij de zonde van de hoererij: je zoekt eenheid met die ander. En je verbreekt op die manier de band met Christus. Het is goed, om dat echt op ons in te laten werken. Velen zien sexualiteit als een prettige consumptie. Maar de sexuele omgang, de eenwording tussen twee personen, grijpt veel dieper. Hoererij geeft innerlijke beschadiging. Daarom in vers 18 een duidelijke oproep: Ga voor hoererij op de vlucht. Houd je er ver vandaan. Deze vlucht is niet laf, maar juist een teken van innerlijke kracht. Wij leven in een maatschappij, waar de sexualiteit zich op allerlei manieren aan je opdringt. Maar je kunt het ook opzoeken. Niet alleen in Amsterdam op de wallen, maar ook thuis op internet, of op je werk, als je te intiem wordt met een collega. Je zondigt daarmee tegen je eigen lichaam. Paulus zegt, dat alle andere zonden buiten het lichaam zijn. Dat roept een vraag op; denk aan over­matig alcoholgebruik. Dat is ook zonde te­gen je eigen lichaam. Ik denk, dat Paulus het zo bedoelt: Sexuele zonden grijpen het diepste in, in heel je bestaan. En dan gebruikt Paulus nog een voorbeeld: Hij noemt ons li­chaam een tempel van de Heilige Geest. In het Oude Testament woonde God in de ste­nen tempel in Jeruzalem. Daarom moest die tempel heilig en zuiver gehouden worden. Verontreiniging van de tempel werd streng gestraft (zie 2 Kronieken 26 : 18 en 19). Na Pinksteren woont de Heilige Geest in de ge­meente, maar ook in ieder gelovige persoon­lijk. Daarom is ons lichaam een tempel van de Heilige Geest. Zo ben je het eigendom van Christus geworden. De Heere legt beslag op ons leven, ook op ons lichaam: vers 20: gij zijt duur gekocht. Vroeger werd er voor sla­ven een bepaalde prijs betaald. Christus heeft ons gekocht met de hoge prijs van Zijn bloed. Dat is het wonder van Zijn genade en liefde. Wat heeft Hij er veel voor over gehad om ons te redden met lichaam en ziel. Daarom ligt er voor ons de opdracht van een dankbaar le­ven. Verheerlijk God in uw lichaam en in uw geest. Hier worden geest en lichaam in één adem genoemd. We mogen die beiden niet van elkaar losmaken. Laat heel uw leven zijn tot eer van God. Hij is dat immers zo waard!
Een schriftelijke vraag (vers 1 en 2)
In hoofdstuk 7 gaat Paulus spreken over het huwelijk. Kennelijk heeft hij uit de gemeente schriftelijke vragen gehad over het huwelijk, en wat daarmee samenhangt. Hij doet dan in vers l een opvallende uitspraak, die we niet verkeerd moeten begrijpen: het is een mens goed, geen vrouw aan te raken. Dit lijkt in tegenstelling met het woord uit Genesis 2 : 18 „het is niet goed, dat de mens alleen zij". Genesis 2 spreekt vanuit het begin. In de Corinthe brief spreekt Paulus vanuit het einde. Evenals de andere christenen in die tijd, verwacht Paulus dat de Wederkomst van Christus spoedig zal plaatsvinden. En vóór de Wederkomst zal er nog een moeilijke tijd voor de kerk van Christus aanbreken: verdrukking en vervolging. En met het oog daarop zegt Paulus: het is goed om niet getrouwd te zijn. Dan kun je je helemaal wijden aan de dienst van God, en heb je in moeilijke tijden geen zorg over je gezin.
Toch stelt Paulus dit niet als een absoluut be­vel. Hij kent de zwakheid van velen op dit punt. Als je de gave van onthouding niet hebt, en geneigd bent tot hoererij, dan kun je beter trouwen. Hierbij keert hij zich tegen een vrije opvatting van het huwelijk: iedere man zijn eigen vrouw, en iedere vrouw haar eigen man. Zo heeft God het bedoeld bij de schepping. Laat dit woord maar goed op je inwerken. Juist nu vandaag het christelijk huwelijk aan alle kanten op de tocht staat. We vinden hier ook geen pleidooi voor het verplicht celibaat, zoals de Rooms-katholieke Kerk dit vraagt van haar ambtsdragers. Ge­zien de excessen, waardoor de Rooms-katholieke Kerk zo in opspraak gekomen is, zou het goed zijn, als ze opnieuw zouden luisteren naar deze woorden van Paulus.

Vasten en Bidden (vers 3-7)

In deze verzen wijst Paulus erop, dat er ook binnen het huwelijk een zuivere verhouding dient te zijn: elkaar lief hebben, liefde geven, en zelfverloochening. Met de schuldige goed­willigheid wordt bedoeld de onderlinge be­reidheid tot de sexuele gemeenschap. In het huwelijk kun je niet zelf bepalen, hoe je leeft. Door het
jawoord op de huwelijksdag heb je, je aan elkaar gegeven. Je bent niet meer eigen baas over je lichaam. Je behoort rekening te houden met elkaar. Naar twee kanten: als het gaat om het verlangen naar elkaar, maar ook als het gaat om de zelfbeheersing. Het kan in een huwelijk voorkomen, dat er momenten, of zelfs perioden zijn, waarin je moet afzien van sexuele gemeenschap. Maar dan moet je daar wel samen over praten en het er samen
mee eens zijn. Te denken valt aan ziekte, over­spannenheid, of voor en na een bevalling. Paulus noemt in vers 5 nog iets anders: een tijd van vasten en bidden. Dat kan duiden op een tijd van bepaalde geestelijke nood in ei­gen leven, of als er nood is in het gezin, in de gemeente, of in ons land. Een tijd, waarin men zich wil concentreren op de verborgen omgang met de Heere. Een tijd, waarin men afziet van uitgebreide maaltijden, of zoals het hier staat: vasten.

De gewoonte om te vasten vind je in de Bij­bel (zie b.v. Mattheüs 17 : 21, Lucas 5 : 33 en Handelingen 13 : 2). Later bij de Rooms-katholieke Kerk, maar ook in de Reformatie en de Nadere Reformatie kom je dat tegen. En in onze tijd met name in Evangelische krin­gen. Wanneer het maar niet een verdienste­lijk werk wordt, kan een periode van afzien een zekere geestelijke waarde hebben: meer gericht zijn op de Heere. In dit kader kan men ook afzien van de sexuele gemeenschap in het huwelijk (zie Exodus 19 : 15 en Joel 2 : 16). Toch blijft Paulus nuchter. Vraag niet teveel van je zelf en van de ander. Overschat je zelf niet. Daarom, kom op tijd weer bij el­kaar, opdat de satan u niet verzoeke. De satan kent altijd onze zwakke kanten en zwakke momenten. Wees daarop bedacht, ook in je huwelijksleven, en ga de weg, die God ons wijst.

In vers 6 merken we, dat Paulus toch weer voorzichtig is. Hij zegt deze dingen niet als een bevel, maar als een goede raad. De Her­ziene Statenvertaling gebruikt het woord: tegemoetkoming. En dan kijkt hij in vers 7 weer naar zich zelf. Hij is geen zielige vrij­gezel. Ik wilde wel, dat alle mensen waren zoals ik: geen behoefte om te trouwen. Dat kan hij alleen zeggen, omdat hij de Weder­komst spoedig verwacht. Want anderzijds ligt er ook de scheppings  -opdracht van Genesis 1: wees vruchtbaar en vermenigvuldigt u. Paulus brengt dan ook een nuance aan: een ieder heeft zijn eigen gaven.
De één om als ongehuwde veel tijd te kunnen geven aan de arbeid in gemeente en kerk. De ander krijgt de gaven om in een christelijk gezin de kinde­ren groot te brengen voor de dienst van God. Dan mag bij ons de vraag zijn: welke gaven heeft God aan mij geschonken. Niet wat ik wil, maar hoe kan ik in mijn leven het beste de Heere dienen en eren?

Gespreksvragen:

Vraag 1.
Een christen hoeft niet wettisch te leven, want hij is vrij gemaakt door Christus (Galaten 5 : 1). Mag je dan alles maar doen? Waar ligt de grens? (zie vers 12)
Antwoord 1




Vraag 2.
Wat betekent vers 14 voor ons lichamelijk bestaan?
Antwoord 2




Vraag 3.
Hoe komt het, dat sexualiteit zo'n sterke macht in ons leven kan zijn? Hoe kan dat anders worden?
Antwoord 3




Vraag 4.
Waarom noemt Paulus ons lichaam een tempel van de Heilige Geest? Wat heeft ons dat te zeggen?
Antwoord 4




Vraag 5.
Geldt vers l ook voor onze tijd? Waarom wel, of waarom niet?
Antwoord 5




Vraag 6.
Kent u ook tijden van vasten en bidden (vers 5). Wat is het gevaar, en wat kan de zegen zijn van zo'n tijd?
Antwoord 6